width=“Zeg Giraffe”, zei de mol tegen de giraffe, “ben jij gelukkig met jezelf?” De giraffe trok haar wenkbrauwen op. “Gelukkig met mezelf? Hoe bedoel je gelukkig?” De mol zocht zijn woorden. “Nou ehm, dat je blij bent met jezelf. Blij, dat jij bent wie je bent.” “Juist ja”, zei de giraffe. “Jeetje, wat een vraag. Nou, ik vind eerlijk gezegd dat ik wel een hele mooie lange nek heb”, zei zij enigszins trots. “En ik kan bladeren plukken uit de topjes van de bomen!” De mol knikte. “Hm hm”, zei hij. “En verder?” “Eh, verder vind ik mezelf heel vrolijk. Meestal. En lief. Ja, ik vind mezelf ook lief!”, zei de giraffe met een blije glimlach. “En jij, Mol, ben JIJ gelukkig met jezelf?”, vroeg de giraffe.
De mol keek treurig voor zich uit. “Ik weet het niet”, zei hij. “Misschien wel, misschien niet. Soms ben ik blij, soms ben ik verdrietig. Soms verschrikkelijk bang en soms weer heel erg boos.” Hij staarde voor zich uit en kauwde op een grasspriet.

Wat kon hij bedenken over zichzelf?

Al dagenlang was de mol op pad. Aan alle dieren die hij tegenkwam, vroeg hij of ze gelukkig waren met zichzelf. En allemaal zeiden ze ‘ja’. En ook allemaal stelden zij dezelfde vraag aan hem. En iedere keer weer zei hij: “Ik weet het niet.” Hij snapte heel goed waarom alle andere dieren blij waren met zichzelf. De één was ontzettend slim, de ander betoverend mooi en weer een ander razendsnel. Maar allemaal hadden ze iets bijzonders. Iets, waardoor ze heel erg blij met zichzelf konden zijn. Maar wat kon HIJ, simpele mol, nu bedenken over ZICHZELF? Ja, hij kon wel IETS bedenken: hij was erg goed in graven. Hij had een bijzonder goede neus en soms vond hij zichzelf lief. Als hij zichzelf zó bekeek, kon hij zich wel even blij voelen.

Soms kon hij zo boos op zichzelf zijn

Maar zo kon hij ook ontzettend BOOS op zichzelf zijn als zijn hol niet zo mooi geworden was als hij had gehoopt. Dan vond hij zichzelf stom  en slordig en onhandig. En zei hij tegen zichzelf: “Zie je wel, ik dácht dat ik goed kon graven, maar ik kán ’t helemaal niet!” En dan ging hij weer huilen en werd zijn hol helemaal nat. En dan zat hij in zijn natte hol bang te zijn dat zijn volgende hol dan ook vast niet mooi zou worden. En moedeloos en bedroefd bedacht hij dan, dat hij eigenlijk NERGENS goed in was. Dat hij niet begreep wat hij op deze wereld deed. Want WIE zat er nu op HEM te wachten? Als hij voor de rest van zijn leven onder de grond zou blijven, zou niemand op aarde dat merken. En zou niemand hem dus missen, dacht hij.

De giraffe voelde hoe dat was voor haar. “Ik ben ook wel eens verdrietig”, zei zij. “Dan ga ik heel hard huilen. Dat voelt dan ehm, nou ja, heel verdrietig. Maar het lucht ook op, dus het voelt ook blij!” De mol luisterde aandachtig. “En ik ben ook wel eens boos”, vervolgde de giraffe. “Zó boos, dat ik heel hard in de aarde ga stampen.” Zij keek de mol aan. “Maar”, zei zij, “ook dát maakt me blij. Want ik vind het heerlijk om in de aarde te stampen!” De mol keek haar met grote ogen aan. “En als je bang bent dan?”, vroeg hij verbaasd. “Word je daar ook blij van??” De giraffe dacht terug aan de laatste keer dat zij bang was. Dat was gisteren nog. Toen zat zij aan haar avondmaal en verscheen er plotseling een leeuw. “Ja, ook dán ben ik blij”, knikte zij. “Die leeuw, die wilde mij namelijk opeten. Maar ik was slim. Ik verstopte me achter de boom, zodat de leeuw mij niet meer zag. Hij dacht dat ik de BOOM was!”, lachte de giraffe. “Maar dat was natuurlijk niet zo. Want ik ben geen boom. Ik ben een GIRAFFE! Dus toen ging de leeuw weg en was ik weer veilig.”

Waarom was je blij dat je bang was?

De mol was nog niet overtuigd. “Ja maar, waarom was je BLIJ dan dat je BANG was?”, vroeg hij. “Nou”, zei de giraffe, “dat zit zo…  Omdat ik bang was, ging ik me verstoppen. En omdat ik me verstopte, kon de leeuw mij niet opeten. En omdat ik niet werd opgegeten, zit ik nu hier. En dat ik nu hier zit, betekent dat ik leef. En DAAR ben ik heel BLIJ mee!”

De mol begreep het verhaal van de giraffe. Maar was nog stééds niet overtuigd. “Ja maar”, zei hij, “JIJ bent een stoere giraffe! Jij bent slim en dapper en mooi. Logisch dat je blij bent met jezelf!” Hij dacht terug aan zijn gesprekken met de andere dieren. Ook ZIJ waren blij en trots. “Nogal wiedes, dat jij tevreden bent”, had hij tegen de krokodil gezegd. “Je bent geduldig, je voorouders waren dino’s en zo’n prachtige rij tanden als jij hebt, heeft niemand!” En tegen de leeuw had hij gezegd: “Ik snap wel dat jij trots bent op jezelf. Je bent krachtig, moedig en kan zo prachtig brullen!” En zo vond hij alle dieren mooi: de vlinder om haar betoverende vleugels, de olifant om zijn wijsheid en de kameleon omdat hij in alle kleuren van de regenboog kon veranderen.

Wat kon hij aan de wereld toevoegen?

Maar wat kon een MOL nu aan de wereld toevoegen? Hij vond zichzelf niet mooi, niet heel bijzonder en hij was eigenlijk nergens goed in. Hij was vaak bang, boos en verdrietig – en in tegenstelling tot de giraffe was HIJ dan NIET blij. Eigenlijk was hij veel vaker niet blij dan wel blij. En voelde hij zich niet veilig. Hij vond het eng om boos en verdrietig te zijn. Want Boos en Verdrietig waren bijna net zo groot als hij. En Bang was zelfs nog groter. Daarom vond hij het nog het engst om bang te zijn. Ook omdat hij dan helemaal alleen was. En er niemand was die hem kon troosten. Met de dag werd hij somberder. Hij voelde zich onbelangrijk en ongelukkig. Wie wilde er nu MOL zijn, NIEMAND toch? Hij kon NIET accepteren dat hij was zoals hij was.

Niemand zat op hem te wachten

Hij voelde zich eenzaam, onzeker en moedeloos. Niemand zat op hem te wachten. Dacht hij. Niemand vond hem lief. Daar was hij zeker van. Hij zuchtte diep. Hij wist het allemaal niet meer. Wist niet hoe het ooit nog goed met hem zou komen. Hij zei ‘dankjewel’ tegen de giraffe, keerde terug naar zijn hol en verstopte zich onder de grond. Precies zoals hij iedere dag deed. Treurig en alleen.

Die nacht had hij een bijzondere droom. Hij droomde dat hij meester was op een mollenschool. De school stond bovenop een reusachtige molshoop . En daar, bovenop, zat hij met alle mollenkinderen om zich heen. “Vandaag, lieve kinderen”, hoorde hij zichzelf zeggen, “hebben wij het over VERTROUWEN.” Hij had zijn zin nog niet uitgesproken, of de eerste vinger ging de lucht al in. “Meester, wat betekent vertrouwen?“, vroeg Koko. Meester Mol kuchte even. “Vertrouwen, mijn lieve Koko, heeft te maken DURVEN en met GELOVEN. Iets bijvoorbeeld durven doen, omdat je gelooft dat je het kan.” De kinderen knikten. “Dus als ik GELOOF dat ik kan lachen, dan DURF ik ook te lachen?”, vroeg Koko. “Precies!”, zei meester Mol. “Zo werkt dat. Probeer ’t maar eens.” Koko, die doorgaans heel ernstig keek, trok een grijns. Dat zag er zo grappig uit, dat de andere kinderen vanzelf moesten lachen. En toen Koko dat zag, begon hij ook te lachen. En hoe harder Koko lachte, hoe harder zijn klasgenootjes lachten. Totdat Koko het uitschaterde en de tranen over zijn wangen biggelden. Toen de klas weer rustig was, vroeg meester Mol: “En Koko, hoe was dat?” Koko straalde. “Dat was leuk!!” Hij keek blij en verbaasd tegelijk. “Ik wist niet dat ik zó hard lachen kon. En dat ik het zou durven!” Meester Mol knikte: “Omdat je GELOOFDE dat je het KON!”

Geloven en durven

“Maar meester Mol”, vroeg Nana, “moet je dan alles geloven en alles durven?” “Nee”, zei meester Mol. “Waar het om gaat, Nana, is dat je gelooft in dat wat je graag WIL. Wat zou je graag WILLEN durven, Nana? Wat maakt jou BLIJ?” Nana dacht even na. “Ik word altijd blij”, zei Nana blozend, “als een vriendje of vriendinnetje mij een kusje geeft en zegt dat die mij lief vindt.” Ze giechelde. “En wat zou je graag WILLEN, Nana?”, vroeg meester Mol. “Dat ik dat zelf óók durf te doen!”, riep Nana.

“Misschien, Nana, kun je eerst oefenen met jezelf”, stelde meester Mol voor. “Zeg maar eens: ‘Ik vind mezelf lief!’ “ Nana slikte. “Ik vind mezelf lief”, zei ze zachtjes. Meester Mol keek vragend de kring rond. “Hebben jullie haar gehoord, jongens?”, vroeg hij. “Neeee!”, brulden de anderen in koor. Meester Mol keek weer terug naar Nana. “Nog eens, Nana, maar nu harder!”, zei hij. Nana schraapte haar keel. “Ik vind mezelf LIEF”, zei ze, nu harder. Meester Mol glimlachte. “Dat klinkt al beter.” Nana moest lachen. “Oké, Nana, nog één keer, heeeel hard!”, zei meester Mol. Nana haalde diep adem. “IK VIND MEZELF LIEF!!!!”, schreeuwde ze uit volle borst. Alle kinderen juichten en klapten in hun handen. “Heel goed, Nana!”, zei meester Mol met een grote glimlach. “En durf je dit nu tegen iemand in de kring te zeggen?” Nana knikte. “Ja”, zei ze, “dat durf ik!” Ze keek naar haar vriendje Mikki die naast haar zat. ”Ik vind jou lief, Mikki!”, zei Nana en gaf Mikki een kus op zijn wang. “Hoe voelt dat, Nana?”, vroeg meester Mol. “Dat voelt fijn. En stoer dat ik het durf!” Nana glimlachte trots. “Voor mij”, zei meester Mol tegen de kinderen, “betekent DURVEN, dat ik me VEILIG voel. En ik voel me VEILIG, als ik mezelf LIEF vind. Als ik BLIJ ben met mezelf. En dat, lieve kinderen, dát is VERTROUWEN!”

Ik vind mezelf lief!

Op dat moment trilde de aarde. De olifant maakte zijn ochtendwandeling. De mol schrok wakker. “VERTROUWEN”, mompelde hij, “VERTROUWEN”. Hij knipperde met zijn ogen. Wat een mooie droom! Hij had veel ontdekt vannacht. Hij rolde zijn bed uit en stak zijn hoofd naar buiten. “Goedemorgen iedereen! Wat een prachtige dag!” Hij sprong zijn hol uit, rekte zich uit en stampte met zijn voeten in de aarde. “IK VIND MEZELF LIEF!”, zei hij tegen zichzelf, “of ik nu boos ben of bang of verdrietig. Ik vind mezelf lief, OVERAL EN ALTIJD!”

Hij begon te rennen en vertelde het goede nieuws aan iedereen die het horen wilde. “Is ’t niet geweldig, Krokodil? Ik ben BLIJ met mezelf!” De krokodil lachte zijn tanden bloot. “Is ’t niet fantastisch, Leeuw? Ik ben TROTS op mezelf!”, riep de mol. De leeuw maakte een diepe buiging. “Vlinder, ik vind mezelf MOOI!”, riep hij toen de vlinder voorbij fladderde. En tegen de olifant: “Olifant, ik heb ontdekt hoe WIJS ik ben!” En toen hij bij de kameleon aan kwam: “Weet je, Kameleon, IK mag dan altijd zwart zijn, maar IK BEN BLIJ DAT IK BEN WIE IK BEN!” Als laatste stond daar de giraffe. Hij plofte naast haar neer, hijgend van zijn rennende reis. Maar nog altijd met een brede lach. “Weet je, Giraffe, je vroeg mij toch of ik gelukkig ben met mezelf?” De giraffe knikte. “Ja, dat vroeg ik je. En, wat is je antwoord? BEN je gelukkig met jezelf, Mol?” De mol haalde nog eens diep adem en voelde hoe blij hij was. “Ja!”, zei hij. “Ik weet nu wat VERTROUWEN betekent. Vertrouwen in mezelf. Ik ben goed zoals ik ben. IK GELOOF DAT IK DURF WAT IK WIL.

Dus ja, Giraffe, IK BEN GELUKKIG MET MEZELF!!”

Miek Peper

www.praktijkdewensput.nl