Na een lange koude winter lieten de eerste warme zonnestralen zich zien.  Van die zonnestralen die zo ongelooflijk lekker voelen op je lijf en waarvan je weet dat iedereen vanuit zijn winterslaap ontwaakt en dat het voorjaar er aan gaat komen.

Wie ook merkte dat het voorjaar er aan kwam, waren de bijen uit de bijenkast van Koningin Bloem. De honingvoorraad was bijna op en dus werd het tijd om nieuwe honing te maken. Honing om allereerst alle jonge bijen te voeden, zodat zij groot en sterk genoeg zouden worden om straks ook op zoek te gaan naar bloemen in het voorjaar.

De zon liet zich steeds vaker zien en op een mooie vrijdagochtend werden er een heleboel kleine werkbijen geboren: Maija, Bram, Fleur, Anna, Hugo, Kaatje & Noor. Wat zagen ze er prachtig uit met hun heldere gele kleur en mooie glimmende zwarte strepen. De kleine vrolijke bijen waren enthousiast en stik nieuwsgierig en wilden alles weten over de bloemen en hoe honing gemaakt werd. Maar voordat ze op ontdekking mochten moesten ze eerst nog een tijdje binnen blijven om verder te groeien en sterk genoeg te worden.

De kleine werkbijen speelden met elkaar en deden vaak verstoppertje, hun favoriete bezigheid. Deze keer was het Bram die alle kleine werkbijen moest gaan zoeken. Noor, die heel goed verstopt zat, werd toch snel gevonden door Bram. Hij zag haar eigenlijk gelijk al nadat hij klaar was met tot tien te tellen en zijn ogen weer open deed.

“Hoe kan je mij zo snel zien?” vroeg Noor verbaast aan Bram.

Bram antwoordde: ”Door je gekke zwarte strepen”.

“Door mijn gekke zwarte strepen?” vroeg Noor verbaast. “Ik heb toch helemaal geen gekke zwarte strepen”?

“Ja” zei Bram, “dat heb je wel, want als je goed kijkt, heb jij geen strepen maar een soort pukkelige golfjes op je lijf.”

Noor keek eens goed naar haar lijf en inderdaad, ze waren niet helemaal recht en strak en mooi glimmend. Ook de andere bijen kwamen vanuit hun verstopplek om goed te kijken naar de pukkelige golfjes op het lijf van Noor. Sommige van de kleine werkbijen gingen zelfs een beetje lachen om die pukkelige golfjes en wezen er ook nog eens naar. Noor voelde dat ze rood werd, ze schaamde zich. Ze voelde zich bang, boos en verdrietig worden tegelijk. Waarom kijkt iedereen nu ineens naar mij? Waarom heb ik pukkelige golfjes op mijn lijf? Waarom had Bram mij zo snel gevonden, en waarom had ze geen rechte strepen zoals iedereen?

Ze gingen geen verstoppertje meer spelen, iedereen ging naar huis. Noor ging verdrietig naar huis en vertelde tuis wat er gebeurd was aan haar vader en moeder. Vader luisterde, maar ging verder met de krant lezen en moeder zei: “We gaan binnenkort wel naar de bijendokter, die weet vast wel raad”. De dagen erna begonnen die pukkeltjes ook nog eens erg te jeuken en Noor werd er helemaal gek van. Moeder zei: “Zo kan het niet langer, we gaan naar de bijendokter”. De bijendokter keek aandachtig door zijn bril naar de pukkeltjes op haar lijf. Nadat de dokter in zijn grote doktersboek had gekeken, deed hij zijn bril af en begon te vertellen.

“Noor”, zei hij: “Jij hebt de TEGEN ziekte.” “De TEGEN ziekte” vroeg Noor verbaast, want daar had ze nog nooit van gehoord.  “Ja” zei de dokter: “Dat betekend dat je lijf niet tegen bepaalde bloemen kan. Vandaar de TEGEN ziekte”.  Noor begon te huilen, ze had zoveel vragen aan de dokter dat ze het allemaal niet meer wist. De dokter gaf haar een zakdoekje en Noor kreeg een dikke knuffel van mama. “Huil maar”, zei de dokter, “dat is goed voor je, dat lucht op en de vragen komen dan vanzelf weer.” Na 5 minuten huilen en nog na snikkend stelde Noor al haar vragen. “Kunnen andere bijen dit ook krijgen als ze mij aanraken? Wanneer gaat het over? Maar kan ik dan nog wel naar buiten? Kunnen die pukkels ook weg? Of worden ze alleen maar meer? Mogen andere bijen mij wel aanraken? Wat moet ik doen als ik hele erge jeuk heb? Waarom heb ik de TEGEN ziekte gekregen?” De dokter luisterde aandachtig en gaf rustig antwoorden op al Noor haar vragen. “De pukkeltjes blijven je leven lang, soms iets meer en soms iets minder. Andere bijen kunnen je gewoon aanraken, zij krijgen het dan niet. Het is niet besmettelijk zoals we dat noemen. Voor als je hele erge jeuk hebt, probeer dan niet te krabben. Als je krabt, krab je je velletje open en dan gaat het nog meer jeuken. En als je naar buiten gaat over een aantal dagen, dan mag jij alleen naar de gele bloemen toe. Alleen van de gele bloemen mag jij de nectar pakken. Mocht de jeuk heel erg worden, dan heb ik nog wel een speciale poeder voor je. Die breng je op je lijfje aan en dan wordt de jeuk snel minder, maar die mag je alleen gebruiken als het echt heel, heel, heel erg jeukt.” De dokter zuchtte, en keek Noor liefdevol. “Op de laatste vraag kan ik je geen antwoord geven, ik heb geen idee waarom jij de TEGEN ziekte hebt”.

Moe ging Noor samen met moeder naar huis. Noor werd ouder en ouder. De pukkels bleven en de ene keer waren het er meer dan de andere keer. De andere bijen durfde Noor niet goed aan te raken. Gelukkig had Noor wel 1 heel lief vriendinnetje die Ellen heet. Zij durfde wel met Noor nectar te halen. Maar Maija, Bram, Fleur, Anna, Hugo en Kaatje durfde Noor niet aan te raken, keken niet graag naar haar en wilden ook geen nectar samen met haar zoeken. Ondanks dat Ellen het vriendinnetje van Noor was, voelde Noor zich steeds meer verdrietig en boos worden. Noor voelde zich anders als de rest. Noor wilde niet meer  naar buiten en de gele bloemen vond ze ook niet mooi meer.

 

Koningin Bloem zag dat Noor verdrietig was en ging naar haar toe. Ze wilde graag weten wat er haan de hand was en vroeg Noor haar dat te vertellen. Noor vond het spannend om te vertellen aan de Koningin hoe ze zich voelde. De Koningin knikte vriendelijk en toen begon Noor te vertellen. Ze vertelde alles eerlijk en ook hoe ze zich voelde. De Koningin luisterde aandachtig en gaf Noor een dikke knipoog en ze bedankte Noor dat ze het verhaal wilde vertellen.

De volgende dag moest ze van de Koningin bij haar in het paleis komen en dat deed ze. Echter toen ze daar aankwam zag ze ook dat Maija, Bram, Fleur, Anna, Hugo, & Kaatje bij de Koningin op bezoek waren. De Koningin vertelde dat ze samen een spelletje gingen doen:  Zoek hetzelfde en zoek de verschillen. “Ga allemaal maar in een kring staan”, zei de Koningin. Schoorvoetend gingen alle kleine werkbijen in een kring staan. “Kijk elkaar allemaal goed aan en zeg mij dan wat jullie allemaal hetzelfde hebben.” Al snel wist iedereen van alles op te noemen. “Vleugels, ogen, we zijn geel met zwart, 4 poten, voelsprieten, mond, een hoofd en een lijf” riepen de werkbijen om en om. “Precies”,  zei de Koningin, “heel goed.” “En kijk elkaar nu nog eens goed aan, en kijk dan naar de verschillen en benoem die ook maar eens”. Er werd in het rond gekeken, maar het bleef stil, heel erg stil. Totdat de Koningin vroeg, “maar zijn er dan echt geen verschillen”? Noor begon te praten: “ja er zijn wel verschillen”. “Ik heb pukkels op mijn lijf en golfjes op mijn lijf.  Maija heeft een zwarte stip op Haar lijf, Bram zijn mond staat een beetje scheef en Anna is wat groter, Fleur heeft twee verschillende voelsprieten, Hugo is klein en Kaatje, tja Kaatje haar pootjes staan een beetje gek naar buiten gebogen.” Nadat het een paar minuten stil was, begon de Koningin te vertellen. “We hebben allemaal wat en zijn allemaal raar, maar toch zijn we broertjes en zusjes. We hebben allemaal wat en zijn allemaal raar, maar toch houden we van elkaar.”

De Koningin had nog een verrassing voor Noor. “Noor als je het leuk vindt dan mag je even bij mijn zus in Engeland logeren. Zij heeft daar ook een bijenkast en daar in Engeland staan veel en mooie gele bloemen, als je wilt mag je daar morgen al heen”. Dat wilde Noor wel. Noor werd de volgende dag uitgezwaaid door de Koningin, vader, moeder, Floor en ook door Maija, Bram, Fleur, Anna, Hugo en Kaatje.  Ze kreeg zelfs een dikke knuffel van iedereen. Daaaaag tot over 4 maanden.

Op de vraag,  Waarom heb ik de TEGEN ziekte gekregen? Daar heeft Noor nog geen antwoordt op en of ze dat ooit zal krijgen weet ze niet. Wel voelt Noor zich blij. Blij door alle knuffels die ze heeft gehad van iedereen. De harten kwamen tegen elkaar en ze klopte allemaal in hetzelfde tempo.

Jacqueline Kiefte -  Dalman