width=“Nee, ik kom niet naar je toe”, zei een lieve vriend door de telefoon tegen me. Ergens had ik al geraden dat hij niet ging komen. Zijn telefoontje liet op zich wachten. Mijn laatste hoop was dat hij al onderweg was, maar toen de telefoon eindelijk ging, besefte ik dat die mogelijkheid er niet in zat. “Nee, ik kom niet naar je toe”, waren zijn woorden. Simpele woorden maar oh zo pijnlijk om te horen. Ik had verdriet en ik wilde graag een arm om me heen voelen. Hoe kon hij die woorden uitspreken? Hij hoort van mij te houden. Hij is mijn vriend. Als je van mij houdt dan kom je toch? Je laat je vriendin toch niet in de steek?
Allemaal gedachten van een 6 jarig meisje in een 36 jarige vrouw. Simpele gedachten. Naïeve gedachten. Magische gedachten. Het magische kind in mij gelooft nog in sprookjes en het verwonde kind in mij gelooft dat er geen man op de wereld mij gaat helpen wanneer ik verdriet heb. Waar komen die gedachten vandaan?

Teleurstelling

Als kind heb ik ooit een boekje gemaakt voor mijn oma. Mijn oma woonde naast ons en als kind was ik dol op haar. Zij gaf mij alle aandacht die ik bij thuis miste. Als er iets was, ging ik altijd naar mijn oma toe. Zij stond voor mij klaar. In het zelfgemaakte boekje illustreerden prachtige tekeningen haar liefde, haar zorgzaamheid, haar klaarstaan voor mij.
Mijn vader gaf aan dat hij voor zijn volgende verjaardag ook wel zo’n mooi boekje van mij wilde. Tot zijn teleurstelling kwamen er in dat boekje alleen maar tekeningen van papa op de bank, papa in de schuur, papa op zijn boot. Voorzien van zinnen als: ‘Papa is vaak moe als hij uit zijn werk komt. Hij ligt dan het liefst op de bank. Ik mag hem niet storen’. Of deze: ‘Papa houdt veel van boten maken. Zodra hij van de bank op staat gaat hij in de schuur aan zijn boot werken’.

Hij had gezelschap nodig

Het hele boekje staat vol met dingen die papa zonder zijn dochter deed. Mijn vader was diep teleurgesteld in het boekje. Hoe kon ik zo over hem denken? Hij ging toch altijd met me naar het strand op zondagmorgen? We liepen toch vaak samen door het bos? We waren afgelopen zondag nog paddestoelen gaan zoeken? En hoe slim kun je zijn als 6 jarig kind? Ik had allang door dat mijn vader alleen dingen deed die hij leuk vond. Als hij naar het bos wilde, gingen we naar het bos. Hij ging nooit alleen, dan had hij gezelschap nodig.

Ik pakte elke kruimel aandacht

Als ik iets nodig had, of als ik iets wilde had hij het druk of was hij moe. Als kind heb ik mijn vader niet ervaren als de gevende ouder. Sterker nog. Ik ben als kind zelf maar gaan geven. Diep in mij was toch een groot verlangen naar de liefde en de aandacht van mijn vader. Dus gingen we wandelen in het bos. Niet omdat ik daar zo’n zin in had maar omdat mijn vader toch iemand nodig had én omdat ik elke kruimel aandacht pakte die ik pakken kon. We liepen zondagochtenden al om 8 uur over het strand. Mijn geven bestond uit dingen samen doen waar ik absoluut geen behoefte aan had.

Ik had zijn liefde niet nodig...

Tijdens het geven was er de pijn dat ik niet gezien werd. Mijn oplossing voor deze pijn was om aan mezelf te vertellen dat ik zijn liefde niet nodig had. Voor de rest liep ik maar zoveel mogelijk in zijn spoor mee. Ik had zijn liefde niet nodig, ik had zijn aandacht niet nodig, ik had zijn hulp niet nodig. Ja, in de praktische stukken was hij er wel. Als er een band geplakt moest worden deed hij dat onder luid gemopper. Maar het gebeurde wel! Emotioneel was hij niet aanwezig. Als ik verdriet had dan was hij er niet. Hij zag niet dat ik tegen mijn zin in het bos liep. Hij zag mijn pijn niet. Wilde het ook niet zien. Hij had het al moeilijk genoeg met zichzelf. Met een moeder die hem het leven niet gunde en hem als klap op de vuurpijl op 16 jarige leeftijd de deur uit heeft gezet, had hij een mechaniek ontwikkeld om zichzelf te beschermen.

Dit maakte dat hij niet veel verder kon kijken dan zichzelf. Hij was belangrijk. Wat de ander deed of wilde interesseerde hem niet. Iedereen moest naar zijn pijpen dansen en anders waren het klootzakken. Grote taal voor een meisje van zes. Ik wilde geen klootzak zijn. Ik wilde zijn liefde!

30 jaar later is de pijn van de 6 jarige er nog steeds

En nu 30 jaar later loop ik nog steeds rond met de pijn van het 6 jarige kind. Ik heb mezelf aangeleerd dat ik geen hulp nodig heb van mannen. Ik doe het wel alleen. Sterker nog. Ik kruip nog liever weg in een donker hoekje in mijn verdriet dan dat ik een man moet vertellen hoe verdrietig ik ben. Het 6 jarige kind in mij is nog steeds doodsbang om de afwijzing weer te voelen. Maar juist door in dat hoekje te kruipen wordt dit kleine meisje afgewezen. Juist door niet op te komen voor wat dit meisje nodig heeft, voelt ze zich eenzaam en in de steek gelaten.

Ik zie de behoeftes van dat meisje ook niet

Ik als 36 jarige volwassene zorg niet voor dit meisje, ziet haar behoeftes wel maar komt er niet voor op. Net als vroeger mijn vader heeft gedaan. En als ik dan van mijn ivoren toren afkom en mijn pijn wel laat zien dan wordt ik bevestigd in mijn geloofsovertuiging dat mannen er voor mij niet zijn als ik verdriet heb. Toen ik mijn vriend vroeg of hij wilde komen kreeg ik te horen: “Nee, ik kom niet naar je toe”. Mijn eerste neiging was om weer weg te kruipen. Laten we elkaar dan maar niet meer zien! Ik doe het wel weer alleen. Wat heb ik aan een vriendschap waarin dit kleine meisje niet gezien wordt?

Fijne vriend

Gelukkig, is deze man mijn vader niet. Gelukkig bleef hij bij het gesprek en heeft hij me uitgenodigd mijn verdriet te laten zien en mijn boosheid te voelen. Hij heeft me aangemoedigd de dingen te zeggen waar ik boos over was en hem ongenuanceerd de waarheid te vertellen. Gezien mijn woordgebruik was het de waarheid van een 6 jarige. Zijn woorden “Nee, ik kom niet” galmen na in mijn hoofd maar veranderen langzaam in de woorden: “Lieve schat, ik hou heel veel van je. Ik ga vanavond niet meer naar je toe komen maar morgen ben ik er”.

Geloofsovertuigingen

Waren dat eigenlijk niet de woorden die hij van het begin af aan al tegen me gezegd had? De woorden die het 6 jarige meisje niet kon horen omdat ze de geloofsovertuiging heeft dat mannen er voor haar niet zijn wanneer ze verdriet heeft. Tenslotte is het ook niet eerlijk om de pijn van dit meisje bij een vriend neer te leggen. Het heeft zijn oorsprong in de relatie tussen mijn vader en mij. Ik mag met mezelf in het reine komen. Accepteren dat ik niet kreeg wat ik verlangde, mijn boosheid accepteren om dit gemis, mezelf vergeven omdat ik mezelf te kort gedaan heb vanuit mijn schuldgevoel. Er komt een dag dat de 36 jarige vrouw het meisje kan omarmen en tegen haar kan zeggen: “Lieve schat, ik ben er voor je. Als je verdriet heb dan sta ik voor je klaar. Mijn armen zijn wagenwijd open voor jou!!”

 

Spiegelbeeld 2008