Beduusd kijkt het vogeltje om zich heen. Hij ziet een deel van de eierschaal, waar hij zojuist nog in zat, naast hem liggen. Iets verderop ziet hij een vos met iets in zijn bek. Dan hoort hij een jammerend gehuil...

Mama vogel huilt: “mijn eitjes, mijn eitjes!” Op dat moment ziet hij Papa vogel weg vliegen. Hij schudt zijn koppie en kruipt uit de rest van het ei. Met gepiep probeert hij de aandacht van mama vogel te krijgen. Maar mama vogel hoort hem niet.

Hij hupt wat dichter naar de rozenbottel struik, waar eerder het nest nog had gelegen. Het lukt hem, om op het onderste takje te klimmen. En zo blijft hij wiegend op het takje, een poosje zitten. Hij valt mama vogel maar niet lastig, want zij is zo druk met verdriet. Als vanzelf, begint zijn snaveltje op de tak te tikken. Hij heeft een vervelend gevoel in zijn buikje. Wanneer hij bij het tikken een hoog geluid uit zijn snaveltje hoort komen, komt mama vogel met een worm. Bij het doorslikken van het laatste stukje worm, ziet hij haar weer huilend weg te vliegen. Al wiegend op het takje, gaan de dagen voorbij.

Op een morgen, zitten iets verderop drie Musjes te spelen. Plots zegt de oudste:

“Stil eens, ik hoor wat!” Ze horen tikken...nieuwsgierig gaan ze kijken waar het geluid vandaan komt. Dan zien ze, het kleine bruinwit gevlekte vogeltje, zitten wiebelen op de tak. “Wat kijk je sip” zegt het middelste Musje, “wil je vertellen wat er is?”

Het vogeltje begint te vertellen van de vos, de eitjes, de weg vliegende papa, zijn verdrietige mama en van het lege gevoel in zijn buikje. Het kleinste Musje kijkt hem liefdevol aan, hupt weg en komt terug met een lekker sappig wormpje. Blij schrokt het vogeltje het wormpje naar binnen.

“Kan ik niet bij jullie blijven?” vraagt het vogeltje aan het oudste Musje. Op dat moment horen ze moeder Mus tjilpen, dat ze terug moet komen naar het nest. Het middelste Musje roept: “we komen morgen weer!” En het kleinste Musje voegt er aan toe: “dan neem ik weer een worm voor je mee!” En het vogeltje... wiebelt verder op zijn takje.

 

De volgende morgen, komen de Musjes zoals beloofd, met het vogeltje spelen. Ze spelen tikkertje, verstoppertje en pootje van de vloer. Het vogeltje kwettert van plezier. Als hij dan zijn vleugeltjes wappert, om met zijn pootjes van de vloer te kunnen, roept het oudste Musje: “Hé, jij hebt rode veertjes op je borst!”

De andere Musjes komen gauw kijken.

“Waarom hebben wij dat niet?” vraagt het kleinste Musje aan de oudste Mus.

“Omdat wij Musjes zijn” zegt de oudste Mus.

“Ben ik dan geen Musje?” vraagt het vogeltje voorzichtig.

“Jij bent een Roodborstje, die krijgen heel veel rode veertjes, als ze groot worden.”

“Dan kunnen wij niet meer met je spelen” zegt het middelste Musje.

“Musjes spelen alleen met Musjes, heeft papa ons geleerd.”

Bedroefd kijken ze elkaar aan.

“Maar hoe vind ik dan andere Roodborstjes?” snikt het vogeltje. De Musjes weten het niet. Dan komt het oudste Musje met een idee.

“Daar, in het bos bij de Oude Eik... daar woont Meneer de Uil. Misschien kun je het hem vragen. Meneer de Uil weet alles!”

Dat vindt het vogeltje wel een goed idee. “Gaan jullie dan met me mee, om me de weg te wijzen?” vraagt het vogeltje

“Oh nee, dat kan echt niet. Als uilen honger hebben dan eten ze, ons Musjes op! Maar jij bent een Roodborstje. Tegen de tijd dat je Meneer de Uil gevonden hebt, zal jouw hele borst al rood zijn. En jouw rode borst zal je beschermen.”

De Musjes vertelden het vogeltje, welke weg hij het beste kon nemen om bij Meneer de Uil te komen. Ze namen afscheid van elkaar en het vogeltje begon aan zijn reis.

Hij hupte van tak naar tak en het lukte hem steeds beter om zijn vleugels uit te fladderen. Elke dag kwamen er nieuwe rode veertjes bij. En toen hij halverwege zijn reis was, vloog hij van tak naar tak en was zijn volle borst rood gekleurd. Hij vond zijn eigen wormpjes en ook andere kleine kriebelbeestjes vulden zijn maag. Hij was nog maar een klein stukje bij de Oude Eik vandaan, toen hij opmerkte dat hij elke dag nieuwe tonen had leren maken met zijn stem. Ook besefte hij dat zijn rode borst er voor gezorgd had, dat andere vogels op afstand bleven, zodat hij rustig kon eten. Mijmerend kwam hij aan bij de Oude Eik.

“Meneer de Uil...Meneer de Uil, bent u thuis?!” Het Roodborstje wacht ietwat nerveus, op een teken van de Uil. Dan verschijnt Meneer de Uil in het gat van de boom.

Stamelend begint het Roodborstje zijn verhaal. Hier moet hij dus het antwoord vinden, wat zijn verlangen zal vervullen... Hij voelt zich opgetogen, maar tegelijkertijd ook bang. Hij voelt zich groot, maar tegelijkertijd ook klein. Het maakt dat hij niet zo goed meer uit zijn woorden komt.

De Oude Uil luistert geduldig naar wat het Roodborstje verteld. Als het Roodborstje stopt met praten, zegt de Oude Uil:

“Wees even stil en luister wat je innerlijke stem jouw nu verteld.”

Het Roodborstje sluit zijn ogen en luistert. Hij hoort een gil, het gehuil van zijn moeder. Hij hoort de spelende Musjes en het advies van de oudste Mus. Hij hoort het geluid van de bomen, het gekwetter van de vogels die op afstand blijven als hij eet. En dan...dan hoort hij zijn eigen gezang. Prachtige toonladders, die de mooiste liedjes fluiten.

Hij opent zijn ogen en zingt in alle tonen opgewekt zijn hele verhaal. De Oude Uil glimlacht en zegt dan: “Nu heb jij je kracht gevonden. Deze kracht...jouw mooi gezang, zal jou brengen waar je zijn moet!”

Het Roodborstje kwettert van geluk. En als hij de Oude Uil bedankt en afscheid van hem neemt, roept de Oude Wijze Uil hem nog iets na:

“Goede Reis...Je Bestemming komt Van-Zelf-In-Zicht!!”

Geschreven door Hellen Göbel - Schilder