Het is voorjaar, nog wel fris, maar de zon zorgt voor enige warmte in het groene bos. In een prachtige grote boom is een vogelnest. Vader, moeder en 4 jonge vogeltjes bewonen dit nest.  Het nest is door moeder zo goed mogelijk verwarmd en ze zorgt voor haar jongen zoals zij denkt dat dit goed voor ze is. Vader werkt hard om eten te vinden.

De jongen groeien op en het is tijd dat ze gaan uitvliegen om het ouderlijk nest te verlaten. Vader en moeder vliegen hun kindjes een voor een naar beneden.

De jongste van het stel, een jongetje, weet precies wat hij wil en gaat op zijn doel af. Hij zegt pap en mam gedag en vliegt naar het westen om daar vervolgens zijn eigen leven op te bouwen, en nieuwe vrienden te maken. Af en toe komt hij nog bij pap en mam op visite en gaat daarna vrolijk weer naar zijn eigen plek.

De oudste, ook een jongen, heeft een vrouwtjesvogeltje ontmoet en samen beginnen ze aan een nieuw leven, en zij hebben de wens later ook kindjes te krijgen.

De een na oudste, een meisje, wil ook graag uitvliegen en zegt pap en mam gedag, maakt nieuwe vrienden en verlaat het ouderlijk nest.

Nu staat het een na jongste vogeltje, een meisje, nog alleen bij pap en mam op het gras naast de boom. Het vogeltje merkt dat ze bang is voor alles wat buiten het nest is. Ze heeft al vaak de harde geluiden gehoord van het verkeer en de mensen in het bos. Aan de ene kant wil ze haar ouders nog niet missen, ze heeft hun liefde en bescherming zo nodig, maar aan de andere kant wil ze juist graag een eigen plek omdat er tussen pap en mam vaak ruzie is en ze geven haar niet het gevoel dat ze mag zijn wie ze wil zijn.

Ze besluit dat het toch het beste is om te gaan. Ze hoopt dat ze dan haar eigen vrijheid zal gaan ervaren, en een leuk leven zal gaan opbouwen. Dit wil ze samen met de vogel die ze al heeft gezien, hij woont al op zichzelf in de boom die naast hun boom staat. Ze is op hem verliefd geworden en voelt zich bij hem veilig en hij is ook dol op haar.

 Ze zegt ook pap en mam gedag en zij vliegen weer naar boven om het nest weer een beetje te gaan opruimen. Als het vogeltje besluit te gaan, merkt ze dat ze niet kan vliegen. Ze roept om hulp tegen haar ouders en zegt dat ze niet goed heeft leren vliegen, maar haar ouders horen haar niet en hebben het alweer veel te druk met hun eigen dingen. Tevens hebben ze niet eens het inzicht dat ze haar dit hadden moeten leren en denken dat vliegen vanzelf gaat als je groter wordt. Ze zagen immers genoeg jonge vogels om zich heen die zonder moeite uitvlogen. Maar voor dit vogeltje is het anders.

Ze gaat elders op zoek naar hulp. Ze kijkt naar boven en roept de vogel waar ze verliefd op is. Maar hij weet niet hoe hij haar kan leren vliegen, hij heeft dit van zijn ouders zo goed en kwaad als het ging geleerd, maar is ook gewoon een jonge vogel die er niet aan toe is zijn vriendinnetje te leren vliegen.

Ze wordt boos, verdrietig en voelt zich in de steek gelaten.

Op dat moment dreigt er gevaar. In de verte komt een grote zwarte kat aangeslopen en ziet in haar wel een lekker hapje. De kat komt dreigend op haar af. Het vogeltje realiseert zich dat ze nu wel moet vliegen om te kunnen overleven.  Er flitst van alles door haar heen: ‘help, wie helpt mij, help, wie redt mij, ik ben echt in gevaar!’. Haar ouders en haar vriend schrikken op en kijken naar beneden, ze willen ook niet dat ze door de kat gegrepen wordt, maar kunnen niet voor haar kan vliegen.

Op dat moment begint ze haar eigen kracht aan te spreken, spreidt haar vleugels en fladdert zo hard als ze kan, met als gevolg dat ze van de grond komt. En als de kat bijna bij haar is om zijn klauw uit te halen, is ze zo hoog dat hij er niet meer bij kan en zij veilig is. Zodra het vogeltje boven in de boom is geland hijgt ze enorm. Ze is helemaal uitgeput. Ze heeft ontdekt dat ze zichzelf heeft leren vliegen! Terwijl ze dacht dat ze het niet kon, dat ze hierin afhankelijk was van een ander, maar niets was minder waar. Ze heeft een kracht in zichzelf ontdekt waardoor ze nu kan vliegen! Ze ervaart een enorme vrijheid en onafhankelijkheid.

Opeens hoort ze iemand naast haar in de boom zitten. Ze kijkt opzij en ziet een prachtige grote bruine uil. Hij kijkt haar aan met wijze ogen en begint tegen haar te praten. Hij zegt: ‘ zo, vogeltje, dat zag er indrukwekkend uit. Je hebt nu een prachtige levensles geleerd: alle kracht zit in jezelf, juist doordat de anderen jou geen hulp konden bieden, heb je dit mogen ontdekken. Fijn dat je er nu je voordeel mee kan doen. Misschien kun je nu samen met je ouders en je vriend af en toe fijn vliegen. Je hebt het heel goed gedaan, vogeltje! Ik ben trots op jou en ik zal aan alle jonge vogeltjes die ik in het bos tegenkom jouw verhaal vertellen! Het ga je goed, en onthoud dat als je weer iets nieuws moet leren of wanneer er gevaar dreigt: de kracht zit in jezelf!’ De uil vliegt weg en het vogeltje kijkt verwonderd naar de grote vleugels van de uil. Gauw roept ze nog:’ dankjewel uil, voor de mooie levensles!’

Het vogeltje ziet dat haar vriendje is aan komen vliegen en gaat naast haar zitten op de tak. Ze kijken elkaar vrolijk en verliefd aan en zeggen tegelijkertijd:’ zullen we spelen?’. En dat doen ze………….

 

Inge Kampen 8-3-11 adolescentenperiode