width=Het was een mooie ochtend in het Eikenbos. De gouden zonnestralen vulden het nog wat nevelige bos met hun magische licht. In dit dicht begroeide bos leefden een groepje beren bij elkaar. Op deze ochtend waren zij allemaal alweer druk bezig om hun taken uit te voeren. De rode beren zorgden voor veilige plekken om te leven en te slapen. Zij waren heel goed in het maken en schoonhouden van alles. De bruine beren zorgden voor het eten en vooral het vangen van de vis in de rivier. De zwarte beren zorgden voor de warme kleren. En er was ook nog een beertje met een wit vachtje. Iedereen noemde dit beertje ‘Witje’ omdat zij de enige beer was die geen kleur had zoals de rest.

Waarom blink ik nergens in uit?

Tussen alle bezige beren leek het witte beertje een beetje doelloos te zoeken naar wat zij kon doen. Iedereen leek zo goed in wat hij deed, dat het beertje niet goed wist waar zij goed in was. Waar zij ook kwam, van niemand mocht zij helpen. Want dan zeiden de beren: “Jij bent een witte beer en jij hoort niet bij ons om dit te doen. Wij zijn hier goed in en jij vraagt steeds zoveel hulp. Ga maar kijken bij de andere beren!” Een beetje droevig ging het witte beertje verder. Ze voelde zich alleen en verdrietig. Met een diepe zucht ging de witte beer zitten bij een boom aan de rand van de stromende rivier en dacht bij zichzelf: ‘Waarom heb ik nou geen mooi gekleurde vacht en ben ik maar wit.’ Witje vroeg zich dan ook af: ‘Wie ben ik nou eigenlijk en waar ben ik goed in?’
De oude wijze bruine beer kwam toen bij zijn jonge berenvriendinnetje staan en legde zijn grote zachte berenpoot op haar schouder en vroeg: "Wat scheelt eraan lieve vriendin?" De witte beer snikte toen: “Ik voel me zo onzeker. Waarom ben ik als witte beer geboren en blink ik nergens in uit? Wat moet ik nou doen wijze beer? Ik lijkt hier wel niet te horen.” Hierop antwoordde de wijze oude beer: “Mijn lieve witte vriendin. Jij bent uniek, zoals ieder ander. Ook vol kleur en kunnen, ook al ben je wit. Alleen jij hebt jouw kracht en kleur in jezelf nog niet ontdekt. Jij kijkt zo naar de anderen, dat je vergeet goed naar jezelf te kijken. Ga maar eens alleen op reis de rivier over. En ga dan op zoek naar wie jij bent en waar jij goed in bent.  Ik weet zeker dat je dat kunt en dat je anders terugkomt.” En zo gebeurde het dat het witte beertje op reis ging.

Geloof in jezelf

Het witte beertje was nog nooit zo ver weg gegaan van huis en vond het erg spannend. Maar zo bij de beren blijven wilde ze ook niet langer. Dus het beertje raapte al haar moed bij elkaar en vertrok naar de grote blauwe rivier. Verder dan hier was ze nog niet weggeweest. Ze was altijd een beetje bang geweest voor het water en keek daarom nu ook vol ontzag naar het stromende water. Ze vroeg zich af hoe de rode beren de rivier trotseerden. Maar nu was er niemand om haar te helpen. Daar stond ze dan alleen. Maar net op dat moment voelde het beertje dat ze toch niet helemaal alleen was. Een prachtige paarse vlinder kwam op haar schouder zitten en vroeg aan de beer: “Wat ben je aan het doen?” De witte beer antwoordde: “Wat ben ik blij dat jij er bent mooie vlinder.
Kun jij me niet helpen om deze rivier over te steken, want ik ben bang dat ik in het water val.” “Oh, lieve mooie beer”, zei de vlinder “ik kan jou niet helpen met mijn kleine vleugeltjes. Maar ik kan je wel vertellen dat jij het zelf kan. Want je kunt meer dan je denkt. Alle kracht en moed zit in je. Geloof in jezelf en heb vertrouwen in jezelf. Je hebt niemand meer nodig dan jezelf om deze oversteek te maken. En als je echt iets vanuit je hart wilt, dan lukt het je! Probeer het maar en ga ervoor! Volg je gevoel, laat je zorgen los en de rest komt vanzelf.”

Ik kan het

Het witte beertje keek nog eens goed naar de rivier en zag dat er in het water zeven grote bruine keien boven het water uitstaken. Het leek wel een zigzaggend keienpad over het water. “Oké”, zei de beer “ik ga het doen! Ik kan het!” Ze sloot haar ogen, zette haar voeten stevig op de aarde en nam even de tijd om haar angst weg te laten gaan.  En toen ze haar ogen weer opende, nam ze een grote sprong en landde op de eerste steen. “Goed zo”, juichte de vlinder. “Zie je nu wel dat je het zelf kan. Voel je nu kracht in je?” “Ja”, zei de beer “ik voel het ineens heel erg warm worden bij mijn staart. Ik voel me ook heel stevig staan nu mijn angst weg is.” “En als je je ogen nu dicht doet, zie je er dan ook een kleur bij?” vroeg de vlinder. “Rood!”, sprak de beer. “Mooi hoor beer. Spring nu maar eens naar de tweede kei  en voel dan weer eens goed.” En zo nam de witte beer opnieuw een grote spong en belandde bij de tweede kei. Nog vol verbazing voelde de beer opnieuw een kracht in zichzelf die zij nog niet eerder had gevoeld. “Ik voel nu heel veel kracht in mijn onderbuik en het lijkt wel alsof al mijn schuldgevoel naar mijzelf en anderen wegebt en ik beter bij mijn gevoelens kan. Een mooie oranje gloed zie ik stralen als ik mijn ogen sluit”, zei de beer.

Ik voel...

Met nog iets meer vertrouwen sprong de beer toen naar de derde kei. En ook daar voelde ze nog meer kracht komen en zei: “Ik merk het nu bij mijn navel. Het lijkt wel alsof al mijn schaamte over de dingen die ik niet zo goed kon verdwijnt met de komst van een gele kleur om mij heen.” De beer voelde zich lichter worden en voelde dat ze nog weer beter wist wie ze is en wat ze wil. Zij nam dan ook vol moed de sprong naar de vierde kei. Hier sprak de beer de woorden: “Ik voel mijn hartje als een groene plek vol liefde en warmte kloppen. Het voelt zo fijn!”  “Prachtig”, zei de vlinder, die er nog wel was, maar wat de beer al eigenlijk niet meer zo door had.

Vol rust en kalmte nam de beer de oversteek naar de vijfde kei. “Geweldig”, zei de beer, “ik voel nu mijn keel meer open worden, zodat ik kan zeggen wat ik wel en niet wil en kan. Het geeft me veel ruimte alsof alles om mij heen blauw kleurt als de lucht.” De beer vroeg zich af wat de laatste twee keien voor haar zouden brengen en nam nog een sprong. Even stond ze geduldig stil op de kei om te wachten wat er kwam. En ook hier ervoer ze weer iets bijzonders. “Ik voel het kriebelen tussen mijn ogen en als ik mijn ogen open doe, lijk ik wel veel scherper de wereld in te kijken. Alsof de witte waas voor mijn ogen weg is. En ik zie een kleur die ik nog nooit eerder heb gezien, blauw-paars lijkt het wel.” Met een nieuwe kijk op het leven maakte de beer de stap naar de laatste en zevende kei. Toen voelde de beer een frisse wind over haar hoofd heen waaien, waarbij de lucht wel paars leek te kleuren. Vol kippenvel zei ze: “Ik weet nu wie ik echt ben, wat ik wil doen in dit leven en waar ik goed in ben! Ik kan nu vol kracht de laatste sprong naar de overkant maken”, zei de beer. En dat deed ze.

Ik wil niet langer iemand anders zijn!

Eenmaal aan de overkant vroeg de vlinder aan de beer: “Ben je nu nog steeds het beertje zonder kleur en kunnen?” “Nee, zei de beer vol trots. Ik weet nu dat ik juist alle kleuren in mij heb. Ik wil niet langer iemand anders zijn. Ik wil juist nu teruggaan naar de andere beren en anderen dieren helpen om ook deze kracht te voelen en in henzelf te geloven. Want ik weet nu dat alles dat ik nodig heb in me zit en ik het gewoon vergeten was. En ik zie nu ook dat iedereen uniek is en ze zowel dingen kunnen waar ze goed en minder goed in zijn.” “Dat heb je prachtig gedaan en gesproken lieve beer”, zei de vlinder. “Ik zie je witte vachtje nu ook stralen met alle kleuren van de regenboog.  Je bent nu klaar om terug te gaan naar je vrienden in het bos. Het is tijd voor mij om afscheid te nemen, maar treur niet want in je hart ben ik altijd bij je.” “Dag lieve vlinder”, sprak de beer. “Dag lieve beer” zei de vlinder. En zo ging de beer weer terug naar de andere beren. Vol geloof en vertrouwen sprong ze de rivier over en ging ze haar nieuwe leven tegemoet! Een leven vanuit haar gevoel met alle innerlijke kracht en wijsheid om het leven te nemen zoals elke stap komt. Deze witte beer heeft haar kleuren ontdekt.

Geschreven door:   Angelique Essenstam