Er was eens een mooi, lief en vrolijk elfje met mooi rood haar. Jammer genoeg wist ze zelf niet hoe leuk ze was. Het werd haar nooit verteld. Haar papa en mama hadden het heel druk met het verkopen van zilverdraad voor grote rijke elfen, dus ze hadden weinig tijd om met haar te spelen of om naar haar te luisteren. Met grote regelmaat gebeurde het dat ze om een knuffel vroeg en die niet kon krijgen omdat ze het zo druk hadden. Als ze liet merken dat ze dit jammer vond zeiden ze: “We hebben het druk, dus zeur niet zo”.

 width=Hier werd ze vaak verdrietig van. Ze ging zelfs denken dat ze geen aardig elfje was en probeerde haar ouders maar niet te veel lastig te vallen. Ze probeerde ‘lief’ te zijn door zichzelf zo onzichtbaar mogelijk te maken want dan zeiden ze: “Wat ben je nu een lief en rustig elfje”.

Het elfje fantaseerde wel eens dat Wiliam de grote tovenaar, zou komen en hij haar beroemd zou maken. Dan zouden haar papa en mama zien wat ze eigenlijk allemaal kon en dan zouden ze heel erg trots op haar zijn....

Het elfje bracht het liefst hele dagen door in het bos. Haar ouders misten haar toch niet dus ze had alle vrijheid om te doen wat ze wilde. Ze danste en ze zong en was nieuwsgierig naar alles wat ze om zich heen zag en stelde graag vragen aan iedereen die ze tegenkwam. Ongemerkt werd ze een heel slim elfje. Ook vond ze het heerlijk om op haar rug in een weiland te liggen tussen de madeliefjes en te staren naar de wolken. Ze vond de ene wolk nog mooier dan de andere. Ze zag er gezichten en dieren in. Ze bedacht dan hele mooie verhalen en liedjes en vertelde die ook aan de dieren in het bos.

Ze had ook een zwak voor gewonde en hulpbehoevende kabouters en dieren. Die ging ze dan ook vaak opvrolijken met haar leuke en vrolijke verhaaltjes . Daarnaast kon ze heel goed zingen en imiteren waarmee ze anderen aan het lachen bracht. Als ze dat soort dingen deed voelde ze zich blijer en gelukkiger. Iedereen leek te denken dat ze heel gelukkig en onbezorgd was. Jammer genoeg was dat niet zo maar ze had het gevoel dat het niet zou helpen als ze dat liet merken dus ze stopte dat maar weg...

Op een dag was ze weer eens heerlijk aan het dansen in het bos toen ze omver werd gelopen door oude en knorrige dwerg. Hij had blijkbaar haast, keek niet op of om en duwde haar omver. De bons op haar bips deed zeer en ze moest haar tranen verbijten maar ze riep hem toch na dat hij beter uit zijn doppen moest kijken. Hij reageerde alleen maar door terug te roepen: “Je liep me voor mijn voeten dus zeur niet zo”. Avontuurlijk en nieuwsgierig als ze was besloot ze hem stiekem te volgen. Ze was heel erg benieuwd waar hij zo haastig naar toe ging.

Na een tijdje zag ze hem een oud houten huisje binnen gaan. Ze liep heel zachtjes naar het raam en gluurde er doorheen. Ze zag een groot bed met daarin een hele oude man die erg hoestte en erg zweette. Hij zag er heel erg ziek uit. De knorrige dwerg stond naast het bed en haalde een drankje uit zijn zak en gaf daarvan een lepeltje aan de zieke oude man. Het elfje kon zien hoeveel verdriet de knorrige dwerg had om de zieke man. Het elfje begreep nu dat er een reden was waarom de knorrige dwerg zo’n haast had gehad. Ze leerde hiermee dat anderen niet ‘zo maar’ knorrig waren en dat er altijd wel een reden was waarom anderen niet aardig deden.

Op het moment dat ze zich wilde omdraaien om zachtjes weg te gaan kraakte er een tak onder haar voet waardoor de dwerg naar buiten keek en haar zag. Ze vond het niet netjes om weg te sluipen dus stak ze blozend haar hand op. De dwerg kwam naar de deur en zei haar dat ze maar even binnen moest komen. Hij leek ineens een stuk minder knorrig dus liep ze achter hem aan omdat ze eigenlijk heel nieuwsgierig was naar die oude meneer in het bed.

De oude meneer wenkte haar om dichterbij te komen en zei: “Ik had je al verwacht”. Dat was een vreemde opmerking want ze wist niet eens van het bestaan van dit huisje en deze meneer en de dwerg. Hij zei dat hij had gehoord dat er een elfje was dat zo goed verhalen kon vertellen en zo mooi kon zingen en vroeg of ze dat nu ook voor hem wilde doen. Natuurlijk wilde ze dat. Ze vertelde een prachtig verhaal over een zieke pony die weer beter werd en zong ook nog een prachtig liedje. De zieke man had tranen in zijn ogen toen ze klaar was en zag er een stuk minder ziek uit. De dwerg bracht een beker chocolademelk en een koekje en was dankbaar voor de verandering bij zijn vriend. Hij vroeg haar of ze nog eens een keertje terug wilde komen als hij zich weer wat beter voelde. Dat wilde ze natuurlijk graag doen. De dwerg zou haar halen als de zieke man weer genoeg hersteld was.

Toen ze thuis kwam wilde ze graag over haar belevenissen vertellen maar haar vader en haar moeder spraken samen over de problemen op hun werk dus hield ze zich maar stil.

Het elfje had graag nog eens terug naar dat huisje gewild maar wist de weg er naar toe niet meer. Het was wel een paar maanden later toen er op de voordeur werd geklopt en de dwerg voor de deur stond. Hij kwam om aan haar ouders toestemming te vragen of ze een paar dagen met hem op reis mocht. Hij legde uit dat de bekende tovenaar Wiliam in het land was en dat hij haar graag aan hem voor wilde stellen.

Het elfje had natuurlijk wel eens van hem gehoord maar had hem nog nooit gezien. Haar ouders waren vol ontzag voor de eer die haar ten deel viel en tot haar grote blijdschap en verbazing vonden haar ouders het goed. Ze begreep er zelf niets van waarom de tovenaar haar wilde ontmoeten maar vond het allemaal wel erg spannend.

En zo gingen het elfje en de dwerg op reis. Het elfje vroeg aan de dwerg hoe het met de zieke meneer was en hij antwoordde dat die weer helemaal beter was. Na uren reizen kwamen ze aan bij een groot kasteel. Daar werden ze door een butler ontvangen en naar een grote kamer gebracht waar een lekker haardvuur brandde. In een grote stoel zat tovenaar Wiliam. Wat een indrukwekkende man was het met zijn grote punthoed en zijn mooie glanzende jas met sterren er op. Toen ze dichterbij kwam hij haar bekend voor... Toen hij haar vroeg hoe het met haar was hoorde ze ineens aan zijn stem dat hij de oude zieke man was uit het huisje van de dwerg.

Hij vertelde haar hoe hij had genoten van haar verhaal en haar stem toen hij zo ziek was en wilde haar hiervoor bedanken. Hij nam haar mee naar een kamer waar een grote spiegel stond. Ze moest daarin kijken en vertellen wat ze zag... Ze vertelde dat ze een onbeduidend, kleurloos en teruggetrokken elfje zag... Hij strooide mooi sterrenzand over haar heen en zei: “Je kijkt niet goed liefje, doe eens wat meer je best...”. Toen zag ze vaag de contouren van een mooi, lief en vrolijk elfje... Het was een herinnering van een lange tijd geleden... Ze herinnerde zich ineens weer hoe ze eigenlijk ook kon zijn...

De tovenaar liet haar inzien wat een mooi en lief elfje ze was. Hoeveel talent ze had en hoe blij ze daarmee mocht zijn. Door hem besefte ze dat ze zichzelf niet meer zag zoals ze kon zijn. Uiteindelijk leerde hij haar dat ze met al haar talenten ook anderen kon helpen.

Ze leerde dat ze door af en toe in de spiegel te kijken zichzelf kon helpen om te zien wie ze echt was...

Zij ontwikkelde zich als een prachtige en krachtige elf en kon heel veel anderen helpen het beste uit zichzelf te halen.

De tovenaar, de dwerg en zij bleven natuurlijk dikke vrienden en leefden nog lang en gelukkig.

Verhaal geschreven door Lieneke Tabak